Een geluk bij een ongeluk

De Watersnoodramp van 1825

Bina Ayar

De lijst van sinds de middeleeuwen verdronken Nederlandse dorpen en steden is lang. Elke eeuw heeft zijn watersnoodrampen. Na iedere calamiteit dringt zich de waaromvraag op. Rampen vragen om waterstaatkundige verklaringen, én filosofische. En soms om een wonder. In het Friese Munnekeburen vindt in 1825 zo’n godswonder plaats.

De watersnoodramp van 1825 is wel eens de vergeten ramp genoemd. Qua omvang en intensiteit doet de gebeurtenis niet onder voor de beroemde ramp in 1953 maar de negentiende-eeuwse watertragedie -met honderden doden- is niet in ons collectieve geheugen gegrift.

Dat maakt het gebeuren niet minder rampzalig. Precies 187 jaar geleden, begin februari 1825, zorgen springtij, hoge rivierstanden en een noordwester storm -met de kracht van een orkaan- voor tientallen dijkdoorbraken. Mensen, dieren en huizen verdwijnen voorgoed in de golven. Vooral Overijssel betreurt vele doden. Maar ook Groningen, Noord-Holland en Friesland zijn getroffen.

Geluksvogel

Het hoge water bereikt ook het Friese Munnekeburen. De bewoners ontsnappen ternauwernood aan de verdrinkingsdood, maar al snel dringt zich daar een ander probleem op: een tekort aan zoet water. Hendrik Nutters, die zich met zijn gezin en een paar andere families in de kerk in leven houdt met zes halve broden, gaat daarom op zoek. Hendrik is een geluksvogel want bij een boerderij even verderop vindt hij een drijvend eilandje mét daarin een gat met water. Dat water smaakt zowaar zoet.

Die merkwaardige gebeurtenis blijft niet onopgemerkt. Zoals de Leeuwarder Courant schrijft: ‘Onder alle wonderen, door Gods kracht in de jongste overstrooming gewrocht, is er welligt geene, die … meerdere opmerking verdient dan het ontspringen van eene wel … waarin zich zoet water bevindt’.

Dat god zich via een wonder openbaart tijdens een ramp is op zich niet verwonderlijk. De geschiedenis kent meer goddelijke interventies rond rampen. Zo kennen we het mirakel van het Heilig Bloed. Zeewater dat met de St. Elisabethsvloed (1421) in een bewaard gebleven ciborie is terecht gekomen, verandert een jaar later in het bloed van Christus. En we hebben de kat van Kinderdijk. Die redt tijdens dezelfde verwoestende stormvloed een baby. De poes houdt het wiegje met daarin het kind in evenwicht door heen en weer te springen. Zo komt er geen zeewater in de wieg.

Kat

De kat krijgt weliswaar later een beeld, maar zijn reddingswerk wordt in de middeleeuwen vooral aan god toegeschreven. Hendrik Nutters, die ook een heldendaad verricht, krijgt helemaal geen beeld. Een jaar na het wonder verschijnt er namelijk een rapport van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen. Dat concludeert fijntjes dat de ‘zoetwaterbron’ een drijftil is. ‘Een drijvend eilandje uit samengewassen, deels half vergane planten, in veenplassen ontstaan’, zoals we nog altijd kunnen nalezen in Van Dale. In het najaar had het overvloedig geregend zodat het sponsachtige materiaal van de drijftil zich had volgezogen met zoet water. Voor het zoute water is geen ruimte meer. Ook zou het watergat al veertig jaar bekend zijn bij de inwoners van Munnekeburen, aldus het rapport.

Dat de samenstellers niets moeten hebben van wonderen blijkt ook uit het nawoord: ‘Des menschen geest heeft, zoo het schijnt, vooral bij algemeene rampen, die hem treffen, eene natuurlijke helling, om aan het wonderbare geloof te verleenen.[…] De dichter bezingt het wonder, en aldus verspreidt zich het bijgeloof wijd en zijd onder de zwakke menigte.’

Dat god zich via een wonder openbaart tijdens een ramp is op zich niet verwonderlijk. De geschiedenis kent meer goddelijke interventies rond rampen.

Zondvloed

Toch wil niet iedereen de rol van god buiten beschouwing laten. Een week na de dijkdoorbraken publiceert een in Amsterdam werkzame Engelse predikant zijn brochure ‘Keert u tot Hem die slaat’. Over een wrekende god die optreedt tegen het goddeloze gedrag van de Nederlanders. Vooral de hervormde predikanten zouden met hun lichtzinnige gedrag verantwoordelijk zijn voor ‘de zondvloed’, stelt de brochure. Helaas voor de predikant vindt zijn duiding van de ramp maar bij een klein groepje orthodoxe christenen gehoor.

De ramp van 1825 en het bijbehorende wonder zijn een omslagpunt. Verlichting en christendom gaan wel samen in de negentiende eeuw maar wrekende goden en wonderen bestaan vanaf dan alleen in het rijk der fabelen. Zo raakt ook het wonder van 1825 in de vergetelheid. De ramp is weliswaar de eerste die goed gedocumenteerd is, maar van het Friese wonder zijn geen mooie schilderijen of beelden.

Overigens is het wonder van 1825 niet helemaal waterdicht. Nadat er duizenden emmers zijn geschept uit de bron treedt er na twee dagen toch een lichte verzilting van het water op. Voor Nutters en de zijnen drukt dat de pret niet. De zoetwaterbron is ‘voor de ongelukkige landlieden eene groote weldaad’, zoals de Leeuwarder Courant schrijft. Of zoals Ovidius al zei: ‘Aliquis malo fuit usus in illo’. Vrij vertaald: een geluk bij een ongeluk.

Met dank aan Jelle Hagen, archivaris Wetterskip Fryslân.

Dit artikel verscheen eerder in tijdschrift het Waterschap (SDU)

Spread the love
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
Written by